— Wel alle duivels — is dat nou logisch of niet--ik ga
niet mee.
— Maar waarom wil je mij dan die dienst.... ?
— Ik zou jou kunnen vragen, viel Joop hem bedaard in de rede, waarom kan zoo’n groote jongen van over de twintig niet eens zelf zijn boontjes doppen. Maar — dat gaat me niets aan. Dat wil ik je wel zeggen, zei hij langzaam — als jij zoo mal op dat kind bent dat je op een draf naar haar toe wilt, dan ben je verkikkerd op de dochter van een onderkruiper.
— Wat — meen je dat? Is Smikkel____?
— O jée — zei Joop op onverschilligen toon, al een paar weken lang werkt-ie ’s nachts. Ik zou je ook kunnen vertellen — waar. Scholte heeft immers het werk aan die groote villa in de Paulus Potter — nietwaar?
— Ja — dat 's waar, viel Douwe driftig uit. Die is nou zoo wat op kap-hoogte. Is-ie daar aan den gang?
— Soms daar — en soms ergens anders.
— En jij wist dat — en je hebt er niets van verteld.
— Denk je dat ik de eenige ben die het weet? Frits Lan-ders weet het ook — en er zijn ’r nog meer. Denk jij dan, dat Smikkel de eenige is die stiekum onderkruipt ? Als je van de week op vergadering komt, dan kan ik je stellig wel tien aanwijzen, die trouw op appèl komen in den ochtend, die hard schreeuwen van volhouden — en die tegen den avond hun baas opzoeken om in den nacht — te werken. En eiken maandagmiddag zijn ze hier om hun paar guldens uitkeering weg te sleepen.
— Godverdikme wat een fielten, barstte Douwe verontwaardigd los. En jelui weet het? En je doet er niets aan?
Joop haalde de schouders op.
155