slim mogelijk te werk te gaan. Chris Bergman leek hem de onnoozelste en op zekeren dag dat hij hem ontmoette hield hij hem staande.
— Morri-e Chris — zei hij luchtig.
— Nelis! Al op stap — zoo vroeg ?
Nelis besloot diplomatisch te zijn.
— Chris — vroeg hij — heb jai nog een dubbeltje bai je ?
De jongen keek hem oolijk aan.
— Je zou zeker wel een bittertje luste — hè Nelis ?
— Nou — liefer twei dan ein!
— Ik ook!
Nelis keek beteuterd, maar Chris was een ronde jongen. Hij nam hem mee en trakteerde. Nelis dronk voorzichtig een slokje en zette dan zijn glas neer. Hij keek Chris peinzend in het lachend jongensgezicht en nam dan een vol glaasje van de toonbank, wat de juffrouw had ingeschonken voor een klein oudachtig heertje, dat nu met gretig oog de loterijlijst bestudeerde.
— Chris — je het teugeswourdig een maid, hé jong!
De jongen kleurde licht bij dien onverwachten aanval.
— Chris — zei Nelis nu veel zachter, trek je het niet an jong — ik het ’r ouk ein.
Chris kon het niet houden en bulderde het uit.
— Dat oue zeilschip Nelis — o Jezus noem je dat je meid. Je hebt geloof ik acht of dertien kooters — niet?
Op dat oogenblik kwam het heertje terug om zijn glaasje te nemen. Nelis had het nog in de hand en keek weemoedig naar het beetje wat er nog in was. Zijn geest toefde bij de geliefde die hij uit de handen der politie had gered.
— Juffrouw — is dat mijn glas ? vroeg het heertje en wees naar het glaasje van Nelis dat op de toonbank stond.
— Ja meheir — zei de juffrouw zonder er naar te zien. 144