zag zijn makker door de leegloopers besprongen worden, doch voor hij hem te hulp ging wou hij eerst het huisboe-deltje finaal kort en klein slaan.
De ijzeren-poot genoot en schaterde zijn lach uit.
— Ha — die Keis — ha die skeile —!
De schele had zijn beide overwonnelingen naar buiten gesleept en kwam nu met armen vol steenen potjes aan, die hij naar de hoofden mikte van de belagers van Louw____
Joop Ranschoen was in kennis gekomen met een dikken bakker, die hem zonder boe of ba te zeggen te lijf ging. Hij nam het hem niets kwalijk en tergde den dikkert zoozeer met zijn schijnaanvallen en onverhoedsche klappen met de vlakke hand, dat deze huilend van nijd om hem heen sprong zonder iets te kunnen doen.
Joop merkte Willem op.
— Hé — pootje — doe je ook mee ? Kom je haast ?
— Wat mot dat — mit jou?
— ’k Heb een kleine vrijage — kijk ’ns hoe verkikkerd-ie op me is.
— Wat komme jelie aigenlijk doen ? Je wount hier om-mers niet.
— Als je me nou? We zijn toch de nachtploeg.
— God-sal-me-eiuwig — — nou doar bin ik al____
Als een bom viel Willem-met-den-ijzeren-poot, midden
tusschen de vechtende partijen. Hij was de schrik der buurt en kwam na middernacht nooit op straat, zonder twee of drie kennissen, die hem antipathiek waren, voor de keien te slaan. Zijn verschijning had een merkwaardige uitwerking.
De vrijer van het voormalig liefje van Chris Kemper liet van schrik Barend-lampeglas los, zoodat deze hem eindelijk een goedgemikten stomp voor de borst kon geven. De-ijzeren-poot voegde er nog een schop bij, waarop de over-138