zijner voormalige geliefden. Sinds enkele dagen wist deze pas van haar vroegere verhouding tot Chris en had toen alles geraden. In dien nachtelijken overval, meende hij den vinger Gods te zien.
Na twee stooten tegen zijn kaken, een „doffer" in zijn oog en een kopstoot onder zijn kin, lag Chris languit op het trottoir en zijn belager boven op hem. Barend-lampeglas trachtte dezen met woorden en stompen te overreden op te staan, maar hij begreep hem niet, of wilde niet begrijpen.
— Pak-an — je kwam me net op taid uit me nest hoale —
ik kon je nog net hebben.....
Schele Ko, nog rillend van de waterstorting, en Daan Kropsla, zoo frisch als een hoentje, bevochten met succes vier jonge kerels die uit een potten- en pannen winkelt je kwamen gestormd. Ko paste een beproefde methode toe. Hij greep op zeker moment twee kerels in den nek, draaide hen een weinig naar elkaar toe en bonsde hen toen met de voorhoofden tegen elkaar. Daan sloeg den eerste die hem voor oogen kwam met een slag op zijn neus voor de wereld en maakte toen mines naar diens broer. Deze vluchtte naar achteren, hetgeen Daan’s gramschap opwekte.
— Hé — dallie — nou mot je niet wegloupe — fuile stie
kemerd, schreeuwde hij verontwaardigd en wierp hem een potje na. Hé — godferdommesche — flauwerik — kom nou hier — ’t begon net sou lollig te worre____
Eigenlijk had hij er veel aardigheid in, maar dat die jongen de pret bedierf door weg te loopen, verbitterde hem. Hij liep hem na met een armvol steenen potjes en pannetjes en toen hij ze allemaal door de gang had geslingerd, kwam hij terug, om nieuwen voorraad te halen.
De ijzeren-poot had zich gedeeltelijk aangekleed, maar was het nog niet met zich zelven eens, of hij de straat opzou 136