Je het gein lef — je het gein lef — tergde het wijf. Geif me nou ein oploaser — feruit dan.
— Kou hou d’r poute fast....
— Hai most ’t lef hebbe!
Het wijf kwijlde van woede en vechtlust.
— Ko — druk je lippen op haar mondje, lachte Joop in een romantische opwelling.
— Hai most godsalme eiuwig durrefe — — Geif me een tik terug — geif me dan....
— Stuur je keirel —, stuur je keirel!
— As je op d'r keirel wacht — het se je intusschen murf gesloage, riep Frits de kaaskop. Die sit four drie joar in Leeuwarde.
— Dat lieg je fuile koaskop!
— Skeile — loat je dat op me segge ?
— Skeile geif d’r een zoen--murmelde Kees-klare-
met-suiker.
— As-tie durft — kwijlde het wijf. Au — au....
Met een gil die onmenschelijk klonk stortte ze achterover.
Ko had haar een hevigen schop voor haar buik gegeven. Een oogenblik later stond ze op en vloog krijschend de kroeg in.
— Misschien neimt de ein of ander ’t four d’r op, zei Ko hoopvol.
Maar ze kwam niet terug. Toen wachtte Ko niet langer.
— Ze mot godf.... niet denke dat ik de heile nacht de taid heb.
Is het poutje d’r nog niet?
— Die maft!
— En s’n waif?
— Die maft ouk — ik heb al tienmoal gescheld.
Ko ging bij de straatdeur staan, en legde zijn oor aan het slot.
131