— Broekie natuurlijk.
— Douwe? Je bent niet goed snik. Ik heb er gein noodig.
Hij tilde haar kin op.
— Weet je dat wel zeker, Minie?
— Ja — waarom niet? Of — 't moest____mein je dat
Joop ? Dat vind ik laag — dat is gemein. Sinspeil je er nou al op. Sou je me heusch in den steik late.... god wat ben jai....
Hij legde de hand op haar mond.
— Geen leelijke woorden zeggen — en niet zoo tegen mij uitvaren.'Wie zegt nu van in den steek laten—?
— Waarvoor heb je dan dat broekie als vailighaidsklep noodig ?
Hij lachte een fijn lachje dat ze al zoo goed van hem kende.
— Hoe beter hij zijn rol speelt van veiligheidsklep — des te minder is er ooit bij mij sprake van jou in den steek te laten. Kunnen we dan toch niet van elkaar blijven houden ?
— Dat sou toch niet gaan. Waarom — als het soo is — waarom blaive we dan niet bij elkaar ? Sai houdt toch niet van je — en ik wel. En denk je dat hai gein oogen heift en alles maar goed sal vinde?
— ’t Is zoo'n sukkel!
Ze schaterden het uit.
— Wil je dan zoo graag — in een doorgangshuis?
Woest schudde ze het blonde kopje.
— Nee — ik wil allein jou....
— Dan moet je mij ook mijn spel laten spelen. — Dat is
nu ook noodig voor de veiligheid van je vader. — Maar je mag hem volstrekt niet aanmoedigen als-ie hier komt----
— Jaloersch? — Wat moet-ie hier?
— Dat hoort er bij.... nu geen woord meer. Geef me een kus.
121