Mevrouw Branders had in geen maand een brief van haar Max ontvangen. Nu kreeg ze er een en ofschoon ze hem driemaal achtereen las, was ze er nog niet zeker van, dat ze hem goed begrepen had. De jongen had er vele Duitsche woordjes tusschen geplaatst en ook vond ze den toon van zijn brief véél ernstiger dan anders, of véél maller. Ze wist het zelf niet goed, hoe ze dat bedoelde, maar de dwaze joligheid die in zijn doen en laten lag en die ze anders zóó uit zijn brieven pikte, zocht ze er nu tevergeefs in. Toen Helen thuis kwam, reikte ze haar, als antwoord op haar middaggroet, den brief toe.
— Lees jij die nu eens aandachtig, Helen, misschien kan je er beter uit wijs dan ik. Ik hoop tenminste maar, dat ik verkeerd gelezen heb.
Helen Branders, Doctoranda in de Nederlandsche taal en letteren, las gewoonlijk al wat leesbaar was, geschreven of gedrukt, zeer aandachtig. Ze ging er voor op haar gemak zitten, streek eerst haar kapsel glad en daarna den brief. Toen las ze langzaam regel voor regel, bijna woord voor woord ontledend.
— Hij komt gauw thuis en brengt een jong meisje mee, dat hij zijn verloofde noemt en waarmee hij trouwen gaat, zei ze eindelijk, kalm.
— Dus het is tóch zoo? vroeg moeder, ongerust. Maar kind, hoe komt dat nu zoo ineens in hem op? Heeft hij dat dan zoo maar beslist, zonder vooraf met ons te raadplegen?
— Ja moeder, hij is immers boven de dertig, antwoordde Helen, ironisch.
Ze was vier jaar jonger dan Max, maar voelde zich zijn oudere, door haar voortgezette studie, en in haar beslistheid van optreden en definities maken. Evenmin als een harer leerlingen aan de Middelbare School, zag ze hem ooit als volwassen. Feitelijk erkende ze, sinds haar aanstelling, niemand als volwassen, die geen betrekking had verworven op grond van een staatsexamen.
— En hij schrijft zoo onduidelijk over dat meisje, klaagde moeder. Hij zegt dat ze heel mooi is, maar erg ongelukkig en dat ze daarom veel behoefte heeft aan liefde. Maar, over haar persoon en haar familie schrijft hij eigenlijk geen woord.
94