woord gezegd. Ze was zoo wit als ’n lijk en ligt op den divan, met oogen waar je bang van wordt. Wat zou er met haar zijn?
— Ik kan niet alles weten, mompelde de leider, korzelig. Help jij Koch er even gauw doorheen.
De hand in zijn zij duwend stapte hij haastig heen.
Wat is dat voor malligheid, die Suze vertelt? vroeg hij, ondanks zijn onverschilligen toon ongerust. Als er iets gaande is, zeg ’t dan, Gert.
Ze knikte hem toe, maar antwoordde niet, keek hem vreesachtig en droevig aan.
Toen Bouwer naar Berend’s begrafenis was gereden, had zij een taxi opgebeld, om naar Jo, Kaufmanns huishoudster, te gaan. De jonge vrouw ontving haar in de kamer, waar ze dien laatsten woesten nacht hadden doorgebracht en aanstonds schoot het Gertrud door den geest, dat ze hier Willem had ontmoet en hoe heftig hij haar had veroverd op Kees ten Brakel. Nu waren de gordijnen dicht en brandde er gedempt licht, als waarde reeds de dood rond, door het huis.
De jonge vrouw zag er bleek en verslagen uit; het scheen Gertrud toe, dat ze in geen nachten geslapen had. Hoewel ze niet bij machte was iets dergelijks te doorgronden, wist ze dat Jo oneindig veel van het kamerlid hield, méér dan zij ooit van een man zou kunnen houden, ondanks zijn afstootelijk voorkomen, trots ze geheel op de hoogte was van zijn schurkerijen en ongetwijfeld leed onder zijn onbetrouwbaarheid en zwakheden. Toen de huishoudster haar een en ander aangaande Kaufmanns ziekte had verteld, begreep ze zijn toestand al direct veel beter, dan ze van Jo veronderstelde, dat deze wist of begreep. Hij moest veel heviger door de ziekte aangegrepen zijn, dan zij ooit was geweest. Haar vroegere vrienden in Duitschland hadden wel gesproken over lijders aan de ziekte, die, evenals Kaufmann, in alle opzichten een onmatig leven hadden geleid. Bij zulke menschen placht ze, in de laatste stadia, verlamming, blindheid of waanzin te veroorzaken.
Jo had haar een bezoekkaart gegeven en ze had deze aangenomen, zonder dat ze zich bewust was, waarom. Ze gaf absoluut niéts om hem en was afkeerig, vaak bang, van zieke menschen. Maar het was haar nét of ze het kamerlid moest bezoeken, terwille van Willem. Kaufmanns aanblik, in de particuliere ziekenkamer, had haar, al dadelijk bij haar binnenkomen, zoodanig verschrikt, dat ze geen woord kon uitbrengen en het liefst weer was gevlucht. Zijn gezicht was opgezet en hier en daar geschonden en zijn oogleden waren op afzichtelijke wijze gezwollen. Het kwam haar voor als gluurde hij haar uit de flauw-glurende oogen valsch en wreed aan, om haar aan te klagen dat ze schuldig was, aan zijn kwaal. Het gebibber van zijn, niet meer spraakvermogenden, mond zag ze aan voor een uiting van vreeselijke woede, die speciaal op haar was gericht. Maar, het ergst hadden haar getroffen, de rauwe gil
4i5