— Zoo zeker, dat ik vanochtend nog een telefoontje van hem had, om me er aan te herinneren.
— Weet je ook waarom Giel Berends niet gekomen is? wendde Fred Boersma, de hoofdredacteur voor Letteren en Kunst, zich tot hem. Zei je niet dat hij de rubriek Feuilleton en Volkslectuur zou waarnemen?
— Berends! riep Halbertsma. Maar man, dat is immers Haron. Hoe komt het in je op, dat hij zich daarvoor beschikbaar zou stellen? Ken je zijn werk dan niet?
— Nóóit iets van hem gelezen, bekende Boersma.
— Dat merk ik, zei Halbertsma, lachend. Anders zou je wel inzien, dat hij de allerlaatste man voor zoo’n koeliebaantje is.
— Waarom? Dat zie ik volstrekt niet in! riep Boersma, op leven-digen toon. Ik heb gehoord dat hij werkman, timmerman van zijn vak is. Als één auteur dus kan aanvoelen, wélke lectuur de beste is, voor de onderste lagen, dan hij wel, dunkt me. We zouden geen beter man voor die branche kunnen vinden. De werkman die voor de werklieden schrijft; wat wil je mooier?
Halbertsma schudde het hoofd.
— Aanvoelen wat ze graag lezen, doet hij waarschijnlijk wél, gaf hij toe. Maar denk je dat Berends dien rommel zou willen schrijven, alléén maar omdat het voor het proletariaat bestemd is? Is het jou dan nooit opgevallen, Boersma, dat de weinige proletarische auteurs, die werkelijk schrijven kunnen, véél verder van den volkssmaak af staan, dan de burgerlijke schrijvers?
Weer schudde hij het hoofd en noemde druk voorbeelden, namen, uit het land en het buitenland, van vroegeren en den tegenwoordigen tijd. Anderen waren het niet met hem eens, vielen Boersma bij, noemden namen van onbelangrijke, succesvolle, volksschrijvers, onderwijzers en voormalige werklieden.
— Al dat praten treft momenteel geen doel, viel Bouwer in. Berends is ziek. Zijn vrouw schreef me, of ik even bij hém kon komen. Misschien had je lust, morgenavond mee te gaan, Halbertsma?
— Lust, zelfs héél veel, maar ik ga morgenochtend weer naar huis. Er ligt veel werk op me te wachten. Hebben we nog iets anders van belang te bepraten?
— Wat er rest, kunnen we wel onder een kop thee af handelen. Dan kan ik mijn vrouw tenminste waarschuwen dat ze mag binnenkomen.
Gertrud bloosde van blijdschap, nu ze met zoovele heeren, waarvan de meesten een graad hadden, kennis mocht maken. Velen van hen kenden Bouwer te weinig, om te weten dat hij getrouwd was en met wie. Slechts enkelen hadden het relletje, in het partijblad, tegen hem gevolgd en die dachten dat Bouwer wachtte op Gertruds scheiding, om met haar te kunnen trouwen.
364