Hij at gulzig den mond leeg.
— Och, Jo, er valt heusch niets in te zien. Wat doet het er nu toé, of iemand lid van de Partij of van iets anders is? Je spreekt af en toe zoo vreemd, alsof de Partij een kerk is en we met elkaar handjeplak moeten spelen. Ze is niéts anders dan een onderneming die zich ten doel stelt het maatschappelijk leven wat te hervormen. Dat is nu alles. Je ziet dus, er is niets idealistisch aan: Ik ben er zooveel als hoofdambtenaar in, doe mijn werk en ontvang mijn loon, zooals jij je loon ontvangt, omdat je mijn huishouden waarneemt. Branders op zijn beurt ontvangt zijn loon van het Verbond, dat nét zooiets is als de Partij, maar een beetje anders. En wij beiden doen, elk op zijn éigen manier, ons best dat onze zaak vooruit gaat, dat het aantal contribuanten toeneemt, dat we aan invloed winnen en vooral, dat de inkomsten de uitgaven overtreffen. Wat heeft dit alles nu te maken met de heiligverklaring van zijn aanstaande vrouw, omdat ze met mij gesoupeerd heeft?
— Ik veronderstel dat er nog genoeg partijgenooten zijn die me wél zouden begrijpen en die méér oog voor het idealistische hebben, in onze Partij. Daar ben ik zeker van.
— Dan zal hun oog wel aardig moe worden, zonder dat ze veel van hun ideaal te zien krijgen, spotte hij. En ik kan je wel verzekeren, dat géén van die lui een funktie uitoefent en niet één van hen ooit tot de allergeringste zal worden benoemd. Menschen die jij bedoelt, zijn droo-mers en die kunnen ze bij ons niet gebruiken en nergens anders ook.
— Vergis je maar niet, Aaron. Zij zijn juist de eigenlijke kracht van de Partij. Het is immers niéts dan een droom, wat ons allen bij elkaar heeft gebracht.
— Bedoel je het Socialisme? Nu, laat ik je dan vertellen, dat we maar een handjevol leden hebben, dat er óóit van gedroomd heeft en nog minder, die er aan gelooven. De menschen worden lid van de Partij omdat een propagandist hen omkletst, of omdat ze te bangelijk zijn om alleen te staan. En als ze er eenmaal in zijn, probeeren ze zichzelf en anderen wijs te maken dat ze voortaan een levensdoel hebben. Als er nóóit Socialisme was uitgevonden, zou er iets anders zijn opgekomen, om de menschen in massa bij elkaar te brengen en contributie te laten betalen. En onder de duizenden, die zich vereenigen, om over hun levensdoel te kunnen praten, zijn er altijd tientallen, die in dat levensdoel een geschikte zaak zien, om er hun onderhoud mee te verdienen. Maar, dat is voor jou nog geen reden om mij zoo stuurs aan te kijken.
Jo schonk voor hen beiden thee in en scheen over zijn woorden na te denken. En, als in gedachten schudde ze weer het hoofd.
— Als ik je zóó hoor spreken, moet ik me telkens afvragen, of je nu tegen mij huichelt öf tegen de arbeiders. Als ze eens onverwachts hiér kwamen en je zóó hoorden spreken. . . .
206