— Kom, ga jij nu eens gezellig naast partijgenoote Van Maasdam tot Hoogheveen op den divan zitten, zei ze, aanmoedigend.
Carla lachte haar dankbaar toe. Zou ze het geval van het bleekzuchtige telefonist je heelemaal vergeven hebben? In elk geval vond ze de oude dame nu weer heel lief, want ze mocht het kittige jonge vrouwtje graag.
— Vandaag had ik bezoek van een brok schrijver, zei ze, tot Dolly. Je kent hem misschien wel. Hij publiceert onder het pseudo Haron, maar hij heet Giel Berends. Ken je hem?
Dolly bloosde.
— Hoe zoo? vroeg ze.
— Och, omdat jij óók arbeidster was, lompensorteerster of corsetten-maakster, nietwaar? Hij vertelde dat hij timmerman is. Het is dus best mogelijk dat jullie elkaar kent.
— Ik hèb hem ook vroeger gekend, bekende Dolly. Had ie het over me? vroeg ze, nieuwsgierig.
— Nee, hij had het alleen over zichzelf; dat vond ik juist zoo afstootelijk en arrogant van hem. En dan die aanstellerij, dat zijn boeken te goed zijn, voor het hedendaagsche publiek en daarom niet gaan. Als ie in zijn boeken éven arrogant is, dan begrijp ik best dat niemand ze lezen wil. Als men dan tóch een cadeautje moet koopen, neemt men liever een boek van iemand die een beetje aardig is, dan van zoo’n aansteller. Maar, waar het natuurlijk op neerkwam, mijnheer wou ge-meente-subsidie hebben, en liefst wel duizend gulden per jaar.
— Niet mee gemorst! riep Boutelje, die haar nu ineens weer liever vond dan Elly en aandachtig naar haar stond te luisteren. Duizend gulden per jaar? Een slag in het aangezicht van het Proletariaat.
— Ja, dat dacht ik ook, gaf ze vriendelijk toe.
— Krijgt hij ze? vroeg Dolly.
— Kan je begrijpen, zei Carla, minachtend. Welja, we smijten maar, met het belastinggeld. En ik denk dat de Di-eh, dat mijnheer Breebaart er ook niet van hooren wil. Ik heb hem er nog niet over gesproken, trouwens. Ten eerste ken ik den jongen man heelemaal niet en bovendien vind ik dat hij maar moet werken voor den kost. Ik zei hem dat het zijn plicht als werkman was, zich aan te melden bij de Arbeidsbeurs. We moeten allemaal werken, ik nèt zoo goed, en ik heb het eigenlijk niet eens zoo hard noodig als hij. Stel je voor, subsidie.
— Over wien hebt U het, mevrouw Carla? vroeg Averling.
— Een werkman die zich schrijver noemt. Hij publiceert onder het pseudo Haron, maar eigenlijk heet hij Giel Berends. En hij komt er zelf voor uit, dat hij maar gewoon timmerman is. Moét zoo’n man dan schrijven? Laat hij timmeren.
— Laten we niet te haastig oordeelen, mevrouw Carla, zei Averling,
18 6