TROUWEN. 171
Als hij — als hij......? Hij kon zooveel
doen...... en zij, niets tot verweer. Geen
woord zeggen zelfs.
Al rumoeriger werkten die vragen in haar hoofd...... zonder antwoord — zon
der eind. Toen plots het klare besef haar zei, dat hij daar nog steeds zoo lag en misschien hulp behoefde.
Waar waren de kinderen nu ? Waren die maar niet weggegaan, toornde ze tegen ze. Als die stil hun ijs hadden gegeten, dan had de dag kalm langs gegleden, net als de vorige dagen waarop ze zoo zeker elke verklaring had ontweken.
Toch mochten de meisjes nu niets merken......
Nu rustte een wijle haar blik — bijna moederlijk — op Simon. Ze vond het vreemd — die zwijgende rust.
Zou hij slapen ?