„Hoe zit dat nu? Ze komt je toch anders zoo trouw halen en ze moet hier toch langs.” „Ze wil niet met die heele stoet gaan,” zei Jo verdrietig. „We hebben er gisteren al zoo’n beetje om gekibbeld.”
„Hè, wat spijt me dat,” zei mevrouw. „Dien is zoo’n lief, hartelijk vriendinnetje en jullie konden het altijd zoo goed met elkaar vinden.” Er kwam een onwillige trek op Jo’s gezichtje. „Moet ze maar niet zoo jaloerseh zijn,” zei ze knorrig.
„O neen, Jo, zoo’n toon wil ik niet van je hooren. Dat heeft ze niet aan je verdiend. Denk er maar eens aan, hoe in-hartelijk Dien voor je was, toen je je been gekneusd hadt en zoo lang moest blijven liggen. Ieder vrij uurtje zat ze bij je en ’t was toen juist zulk prachtig weer, alle kinderen speelden buiten of gingen naar het bosch.”
Jo keek. beschaamd voor zich.
„Ja moes, dat is wel zoo. Maar waarom kan ze nu niet prettig met de meisjes samen zijn. Ik vind ’t zoo dol, dat heele clubje en nu gooit zij aldoor roet in ’t eten.”
„Kijk Jopie, ze is vanaf jullie zesde jaar altijd met jou samen geweest, jij verlangde ook niet naar een ander vriendinnetje, jullie waren al dien tijd als zusjes met elkaar. Kun je nu niet een beetje begrijpen, hoe naar Dien het vindt, dat daar plotseling zes meisjes zijn
97
Casa Bianca 7.