En jawel, daar kwam moeder aan Vader’s arm aangestapt en ze zwaaide uitgelaten met haar zakdoek.
„0, wat is ze dik geworden!” riep Jo en tranen van blijdschap stroomden over haar wangen.
„Kijk ze toch eens hard loopen!” riep Rob, terwijl hij een luchtsprong maakte. „Zoo heeft moeder in jaren niet gehold!”
„O, menschen, schiet toch op!” zuchtte Jo, die wel door alle menschen heen had willen vliegen.
En eindelijk = daar was het groote geluksmoment. Daar had moeder haar twee schatten in de armen gekneld.
„Doorloopen, jongens!” commandeerde Vader, die heelemaal over ’t hoofd werd gezien, „’t Is hier zoo trekkerig,” zei hij angstig.
„Kom man,” lachte moeder, „daar letten we niet meer op. Ik ben nu zoo gezond als een visch.”
Met de armen om haar heen brachten de kinderen haar naar het rijtuig.
Op de plaats waar moeder moet gaan zitten, lag een heerlijke bouquet bloemen.
„Hè, wat prachtig,” zei moeder, die de mooie bloemen opnam en met welbehagen hun heerlijke geuren opsnoof.
„Van wie heb ik die?”
„Van*Rob en mij,” zei Jo.
„Dank je wel, hoor lieve schatten.” En
233