„Nou en of!” lachte Dé. „We hebben hem direct opgescheld en hij maakte van blijdschap zoo’n kabaal aan de telefoon, dat we hem haast niet konden verstaan. Ik geloof, dat hij hierheen komt, als zijn huiswerk klaar is.”
„Daar heb je ’m!” riep Wil. „Ik hoor hem in de straat fluiten.”
En jawel, daar kwam Rob aangestapt en z’n leuke jongenskop straalde van blijdschap.
Twee weken later was er in Huize Tervaart een drukte van belang.
Er was besloten, dat dien eersten middag van moeders terugkomst, Mevrouw Cortelingen en Dé zouden komen dineeren. Gaarne had Mijnheer het heele meisjestroepje gevraagd, maar dat zou te druk zijn geweest. Die zouden ’s avonds even haar opwachting komen maken.
En nu was dan eindelijk de groote dag aangebroken en stonden Jo en Rob met van geluk stralende gezichten op het perron om vader en moeder op te wachten.
„Daar heb je de trein,” gierde Jo.
„O Rob, ik houd het niet uit.”
„Kind, wees nou toch kalm, zei Rob, maar hij rekte zich uit op z’n teenen om toch maar gauw het geliefde Moedertje te kunnen zien.
„Hé, wat ’n menschen! Ik zie niets,” mopperde Jo.
„Daar is ze, daar is ze!” gilde Rob, al z’n waardigheid van straks vergetend.
231