Hierin vond ze verschillende jeugdportretten van haar onvergetelijk moedertje. En eenige foto’s van Vader en Moeder samen, als bruid en bruigom, op hun huwelijksreis en alles met onderschriften die getuigden van hun jong geluk.
De tranen liepen over Dé’s wangen. O, hoe had Vader ooit een andere vrouw kunnen nemen, en dan zóó’n koude, onhartelijke vrouw!
Ook vond ze in een klein doosje een donkere haarlok, die volgens den datum en het bijschrift van Dé’s eigen kopje afkomstig was. Zeker was ze toen voor de eerste maal onder ’s kappers handen geweest.
En dat had Vader zoo zorgvuldig bewaard! Arme, goeie Vadertje.
Onder in den trommel vond Dé een brief.
Op de enveloppe stond:
Aan Dé.
Te openen na mijn dood.
Met koortsachtige haast scheurde Dé de enveloppe open en verslond met oogen vol tranen den inhoud.
Mijn lieve Dé,
Al geruimen tijd voel ik me niet goed. Ik heb vandaag een dokter geconsulteerd, die me op mijn dringend verzoek, de waarheid omtrent mijn gezondheidstoestand gezegd heeft.
204