doen en toen nog een fijn plantje in een donker rieten mandje.
„Nu als de drommel naar huis en op de kamer zetten,” hijgde Jo.
Gauw lieten ze hun schatten nog even aan Mevrouw zien, die ’t echt aardig van ze vond, en toen werd het vaasje op het tafeltje gezet en ’t plantje op ’t bureautje. Het stond echt fleurig en lief.
Het werd een dol-gezellig middagje, dien eersten middag op hun zitkamer en Jo’s brief aan Moeder was zóó vroolijk en opgewekt, dat Mevrouw en Oom Wim, die hem samen op hun kamer in Arosa lazen, er van genoten en hun hart vol dankbaarheid was, dat Jopie in zulk een gezellige omgeving was.
202