de zich naar de huiskamer, waar de meisjes al gezellig bij Juf om de tafel zaten. Er was daar het gezellige gezoem en gepraat van iederen middag.
Ze keken allen verbaasd op, toen ze Mevrouw ’s bleek en ontdaan gezicht zagen.
Zacht ging Mevrouw naar Dé toe, sloeg den arm om haar heen en zei: ,,Je oom uit Arnhem is binnen, Deetjelief, hij wil je graag even spreken.”
Dé schrok op.
„Moet ik hier vandaan”? zei ze terwijl haar lieve gezichtje verstrakte.
„Neen kindje, dat niet, maar er is bericht gekomen, dat je Vader zeer ziek is.”
Dé verbleekte en terwijl haar groote oogen zich strak op Mevrouw vestigden vroeg ze:
„Is Vader dood?”
Mevrouw zei niets, sloot haar alleen innig in de armen en voei'de Dé zacht mee naar den salon.
Hier liet ze Dé alleen met haar oom en keerde terug naar de huiskamer waar ze allen verslagen bij elkaar zaten.
„Gaat Dé nu weg?” snikte Tine.
„Neen, lieveling, Dé blijft bij ons,” zei Mevrouw, die nu haar tranen den vrijen loop liet. „En we zullen allen ons best doen haar in het droevig verlies te doen berusten. Ze heeft nu niemand anders dan ons en ze is voortaan
189