B 3 Aug. ’21.
Lieve Tineke,
Wat heerlijk, dat ik bij je mag komen. Ik vind ’t toch zóó lief van je Vader.
Mevrouw en Juf waren ook zoo blij voor me en Nettie zei, dat ze ook mee wilde.
Maar hoor eens, Tineke, ik blijf niet langer dan acht dagen. Weet je, Mevrouw had al allerlei plannetjes gemaakt en ze is zóó lief voor me, ik zou ’t niet aardig vinden, nu zoo lang van huis te blijven. Ik vertelde haar niet, dat je me voorstelde zoolang te blijven tot we samen naar huis gingen, want dan zou ze er zeker op aandringen het te doen.
En als Juf ’s avonds naar haar vriendin gaat, zit Mevrouw zoo zielig alleen, bij de buren zijn ze ook uit de stad. Wil je er niet boos om zijn Tinelief? Ik kom wel vaak binnen, dat Mevrouw roodbehuilde oogen heeft en als we dan samen wat praten, of als ik wat voor haar zing, dan wordt ze weer wat opgewekter.
Kassian, ’t is nog maar zoo kort geleden van haar man.
Je weet niet half, hoe blij Mevrouw was, toen ze hoorde hoe goed je je broer oppaste. Wat was dat lief van je, van jou nog veel liever dan van een ander, omdat jij, verwend prinsesje, je nooit hoefde op te offeren.
162