te laten komen, er moesten waterverbanden gelegd worden en meer van dat spul.
Eerlijk gezegd, was m’n eerste gedachte, bah saai! zoo’n vreemd wezen in huis. En toen dacht ik, hoe egoïstisch Mevrouw en jij zooiets wel van me zouden vinden en ik besloot dus m’n akelig egoïsme, waar ik tegenwoordig heusch wel tegen vecht, op zij te zetten en onze goeie Leo zelf op te passen. Nou, de heele familie was natuurlijk paff!
Schatte-Vader gaf me zoo’n innigen zoen* nee Dé, dat zal ik niet licht vergeten. Toch we^ een fijn gevoel als je je opoffert.
Ik zat eerst erg in de piepzak, dat ik iets stoms zou doen, maar Vadertje legde me alles zóó goed uit, dat ik ’t direct begreep.
Al heel gauw kwam er verbetering in Leo’s toestand en we luchtten allemaal op, kun je begrijpen, hè?
Vandaag mocht hij voor ’t eerst beneden en nu zitten we saampie’s in de serre en koesteren ons als poezen in de zon.
Hij ziet nog wel een beetje witjes, maar dat zal wel beter worden. Ik kan je verder niets bizonders vertellen, want ik heb nog niemand van de oude kennissen gesproken en ook nog niet getennist. Vadertje zegt, dat ik nu maar eens flink van me verdere vacantie moet genieten. Nu, dat zullen we hebben! Zeg, wat voer jij uit? Wandel je veel met Mevrouw en Nettie?
160