hussie” hem te komen bezoeken in z’nzomerhol.
Oom Wim bewoonde ’s zomers een aardig houten huisje, dat midden in het bosch stond. Jo en Rob hadden er al zooveel van verteld, dat ze er allen naar haakten om Oom Wim in z’n buitenverblijf te zien.
Eindelijk was de lang verwachte dag dan aangebroken.
„Dé!” jubelde Tine. „Kijk toch eens wat een zalig weer.”
„Wat treffen we het,” zei Dé. „Wat zal het mooi zijn in ’t bosch van Oom Wim.”
„’t Bosch van Oom Wim!” gierde Tine. „Mocht ie willen, zeg!”
Van alle kanten hoorde men nu blije uitroepen door de gang weerklinken en de meisjes liepen naar eikaars kamers over om elkaar te raadplegen in de toilet-kwesties.
„Wij doen onze witte jurken aan,” riepen de tweelingen.
„Zeg, laten we allemaal wit aandoen,” riep Tine.
„Mijn witte is vuil,” schreeuwde Willy terug.
„Geeft niks, schaap, doe je er een van mij aan,” riep Tine, die zoo ruim voorzien was van jurken, dat ze altijd helpen kon als er een in nood was.
„Wat doen jullie voor strikken in je haar?” informeerde Ada.
„Witte!” riepen de tweelingen. „En we doen ook witte kousen en schoenen aan.”
138