„Nu kan Loe binnenkomen,” zei juf.
„Ik zal hem wel even roepen,” zei Rob en verliet de kamer.
Juf liet ieder nog eens goed het woord herhalen, dat in een zin verwerkt moest worden en toen bleven ze wachten tot de jongens terug zouden komen.
„Hij is zeker ver weg,” lachte Jo. „’t Duurt zoo lang.”
Maar al wie er kwam, geen Loe en Rob.
„Hè, waar blijven ze nu,” riepen de meisjes ongeduldig.
„Ik zal wel eens even gaan kijken,” zei juf. „Ze halen bepaald kattekwaad uit ”
En weg ging juf. Maar ook juf kwam niet terug en de meisjes trappelden van ongeduld.
„Bah, wat een flauwe bak,” zei Dien. „Net wat voor die spoken van jongens.”
Tsjieeeeet! gilde er eensklaps iets buiten uit den donkeren tuin op en toen: poef, poef, poef!
Ze schrokken ervan en holden allen naar den tuinkamer.
En toen begrepen ze het.
De tuin, die geheel versierd was met kleurige lampions, als door onzichtbare handen daar neergehangen, zag er sprookjesachtig uit.
En telkens weer stegen er vuurpijlen omhoog, die sissend en knetterend naar beneden daalden en overal fonkelende gouden sterretjes neerstrooiden.
122