Weet je wat, ga je nu eéns even frisch was-schen en dan ga je maar een kwartiertje op het grasveld liggen. Als je dan weer terugkomt is alles veel gemakkelijker te dragen.”
Met een bemoedigend druk je op haar arm, schoof de Directrice Tine de bank uit en deze haastte zich met een verlicht en dankbaar gemoed naar buiten.
Er was niet één meisje in de klasse, dat niet met een warmen blik in de oogen de Directrice aankeek toen ze weer haar plaats voor de klasse innam.
En er werd dien morgen gewerkt als bijna nog nooit.
Toen het clubje om twaalf uur naar huis ging, was het een vechten wie naast Tine zou loopen. ’t Wras alsof ze allen voelden, dat ze haar wat moesten helpen.
En ’t was Tine vreemd te moede, toen ze zag, hoe allen zich beijverden om haar te troosten. Hoe weinig had zij zich tot nog toe bekommerd om anderen. En als een bliksemstraal schoot plotseling de gedachte door haar hoofd je, hoe ze op een der eerste avonden van hun verblijf bij mevrouw Cortelingen, Dé in haar bed zacht had hooren snikken. Ze had er wel even over gedacht Dé te vragen wat haar scheelde, maar het bed was zoo lekker warm en ze had erge slaap.... Ze vond zich nu een akelig, zelfzuchtig schepsel en nam zich voor bij een.
109