88
„Poeh!” lachte Els. „Storm in aantocht!” en ze stevende keukenwaarts.
Jet, eveneens in huishoud jas, stond op een trap, bezig de bovenste plank van de glazen kast in te ruimen.
„Kan ’k halpen?” imiteerde Els een geaffecteerd jog, dat door hun allen altijd uitgelachen was.
Jet schoot in een lach.
„Ja,” zei ze dan dankbaar. „Je kunt me de boel fijn aangeven, hoef ik niet telkens van de trap. Maar je breekt niks, hoor! anders doe ik het liever zelf.”
„Erg aanmoedigend,” vond Els. „Nou laat ik natuurlijk bende’s vallen.”
Maar Jet had vertrouwen in haar nicht en liet haar het werk doen.
„We worden nog allemaal sublieme huisvrouwen onder jouw leiding,” zei Els, die voorzichtig stuk voor stuk aan gaf.
Jet moest inwendig lachen en dacht, dat ze zeker driemaal zoveel tijd nodig zou hebben, als ze alles zo voorzichtig en langzaam moest doen als Els het deed. Maar ze vond de bedoeling zo lief, dat ze er maar niets van wilde zeggen.
„Wanneer komen jullie huurlingen eigenlijk?” vroeg Els.
„Spreek me er niet van,” zuchtte Jet. „Ik krijg kippevel als ik er aan denk, dat de boel over veertien dagen voor elkaar moet zijn.”
„Het ziet er nog niet naar uit,” vond Els weinig aanmoedigend. „Waarom neem je ook niet een paar flinke krachten?”
„Om geld uit te sparen, meissie! Maar overmorgen komt de gedienstige en samen met haar zal alles veel gauwer gaan. Bé doet wat ze kan, hoor, maar tenslotte is ze dit werk niet gewend en wil ik haar ook niet voor al die vervelende karweitjes laten opdraaien.”
„Je slaat ook alle hulp af, dat vind ik zo onzinnig van je. Moeder zou je dolgraag komen helpen. Die overdreven trots van jou!”