222
„Was ik maar thuis gebleven,” dacht Jet, terwijl ze naar hun zitkamertje toog. „Dat heb ik nou van al dat achterbakse gedoe. Nou heeft mevrouw nog achteraf het land en blijf ik met de gebakken peren zitten. Waar zit die Bé om ’s hemelswille ? ’t Is warempel al bij half twaalf, ik mag hangen, als ik er iets van begrijp!”
Jet besloot nog niet naar 'bed te gaan en te wachten tot Bea binnen zou zijn. En beneden zat mevrouw van Vliet in haar kimono voor het raam van de zitkamer, die ze donker had gelaten, en keek of de twee, die zonder het te zeggen uit waren gegaan nog niet binnen kwamen en of ze ieder op eigen gelegenheid zouden komen.
Maar langs de stille Amsterdamse grachten liepen, aan geen tijd denkend, stevig gearmd, Bea en Reindert.
Ze hadden de film niet tot het einde toe gezien, want Reindert had zich naar Bea toegebogen en gezegd, dat de film hem toch niet meeviel en het hopeloos warm was.
Waarop Bea, die het noch met het een, noch met het ander eens was, had gevraagd, of hij misschien liever weg wilde.
Reindert had lachend gezegd, dat hij niet misschien, maar héél zeker liever weg wilde.
„Vin je goed naar huis te wandelen?” had hij gevraagd. En Bea had graag toegestemd, want het was mooi weer en een wandeling langs de grachten leek haar) niet te versmaden.
Het was kwart over twaalven toen Reindert eindelijk de sleutel in het slot stak, er op iedere étage een hoofd door het gordijn stak en met gemengde gevoelens geconstateerd werd, dat de twee het werkelijk hadden weten te bestaan om samen uit te gaan.
Floep! zei het licht bij mevrouw van Vliet en floep zei ook het licht bij Jet en de twee schuldigen, ieder op hun étage, zeiden allebei heel verbaasd, dat ze niet dachten, dat er nog iemand op zou zijn.