”5
„Ach, Toet, nu zijn wij helemaal verloren,” snikte zij. „Jouw arme vader dood en de jongen misschien ook.”
De dokter gaf Toet een wenk om bij haar moeder te gaan zitten. Toet deed haar best om vriendelijk tegen haar te zijn, maar telkens schoten haar de bittere woorden te binnen, die haar moeder nog geen uur geleden tegen haar vader had gezegd.
Bea, die haar tegenzin begreep, knikte haar bemoedigend toe. Werktuigelijk streek Toet’s hand over Maatje’s gebleekte haren.
„O, Toet!” schrok Maatje op. „Ik heb helemaal geen zwarte japon, jij moet gauw even opbellen, we moeten rouwgoed op zicht hebben. Mantels ook, voor jou en voor mij.” Maatje was ineens in actie en richtte zich veerkrachtig op.
Toet trok wat ruw haar arm terug en keerde zich af van haar moeder.
„Daar is Tom al,” zei Bea, die het Tom-belletje herkende, al klonk het deze keer ook gedempt. „Hij zal je het beste kunnen troosten,” fluisterde ze Toet in.
„Ga je nog niet weg, Bé?” verzocht Toet voor de tweede maal. „Tom krijgt straks zoveel te verzorgen en ik kan niet alleen met moeder zijn.”
„Ik zal Jet even opbellen, dat ik niet kom. Jet begrijpt dat best.”
„Ik zal mijn belofte gestand doen, zoveel als ik kan,” dacht ze terwijl ze naar de telefoon liep. „Arme Toet, met zó‘n moeder! ”
Dien avond, het was half negen, ze zaten allen, met Tante Leentje, die ’s middags van een bridge-partijtje was weggeroepen, in de huiskamer bijeen, hoorden ze plotseling de huissleutel in het slot steken, en kwam, alsof er niets gebeurd was, Peter naar binnen gewandeld.
„Hemel! wat ziet die jongen er uit!” dacht Toet en ook de anderen schrokken van het vaalbleke gelaat met de fletse ogen.