162
„Wat nou?" kreet Koos. „Kenn'n jullie mekaar?"
„Sinds gisteren,” zei Maarten, ,,'t Was — hoe zei u dat ook weer? — een vervroegde voorstelling.”
„Hê-je niks van verteld,” verweet Koos.
„Vergeten," nonchalant zei Chita het.
Er werden blikken gewisseld en mevrouw Ver-duynen had plotseling toch weer spijt, dat ze Mientje toestemming had gegeven naar Chita's kamer te gaan. Ella Marens snoof, of ze een minder aangename geur in den neus kreeg.
Chita was stikum, ze had het direct al gedacht.
„Moeke Boomstra, zet je nog altijd zulke beste thee?” vroeg Maarten.
„Och, jongen, in de blijdschap van het weerzien vergeet ik je in te schenken."
Hij kreeg z'n thee, in de groote kop, die speciaal voor hem bewaard bleef, evenals z'n pijp een vast plaatsje in het pijpenrek had.
„Hè, wat genoegelijk!" Maarten was naast mevrouw Dokter gaan zitten en leunde op den arm van haar leunstoel. „Dokter, leven de cactussen nog? en hoe gaat het met de serre? in verren staat van ontbinding?"
Dokter lachte z'n hartelijken lach.
„Je komt net op tijd om 'm van een wissen dood te redden, ’t Was druk van den zomer, ik heb den boel moeten verwaarloozen."
„Blijf je van 't winter hier, Maart'n?" vroeg Koos.
„Weet ik nog niet. Als 't me te machtig wordt, vlucht ik toch weer."