132
Mientje Verduynen, een lang, bleek meisje van een jaar of achttien keek met verterende blikken naar Chita's zijden shawl en zuchtte.
In kwijnende houding hing in de seatty de zangeres, Ella Marens, wier staal-grijze oogen Chita van kop tot teen monsterden en die, of de beweging haar moeite kostte, een beringde en goed gesoigneerde hand naar haar uitstak en zich dan weer verdiepte in de partituur van „der Meistersinger".
„Koos van Veen," zei een wat harde stem. Geritsel van een smetteloos schort, dat over de heupen in haastige beweging glad gestreken werd en Zuster van Veen, Groningsche van geboorte, stelde zichzelf al voor. „We hebb'n al van u gehoord! och, och, wat ’n bleek mèske, maar goed et'n en melk drink’n. Kom maar naast me zitt'n."
„Dat mensch kauwt de woorden," dacht Chita, die erg gevoelig voor stemmen was.
Van de seatty klonk af en toe een lichte colora-tuur-passage,
„Da's voor jou," lichtte de Groningsche toe. „Je mot ze vooral zing'n hoor'n." Mevrouw Verduynen, die of haar leven er van af hing zat te breien, keek even naar Chita's tengere, mooie handjes en vroeg dan langzaam:
„Heeft juffrouw Weldam geen handwerk meegebracht? we zijn gewend ’s avonds te handwerken. Ledigheid...."
„Is des duivels oorkuss’n," spotte de Groningsche. „Is die ketting echt?” vroeg Mientje, die als ge-