121
„Och Tom, ik ben gewoon een lam. De schrik zit er zoo bij me in. Ik geloof niet, dat ik ooit meer domme dingen zal doen.”
„Ik heb je moeder moeten beloven, dat ik maar heel even zou blijven. Chita.... mag ik vaak komen? lederen Zondag? Toe, zeg jij het dan aan je ouders. Wil je, Chita?”
Ze keek hem ernstig, maar flink in de oogen, dan zei ze langzaam: „Tom, haal je geen verkeerde gedachten in het hoofd. Ik vind het fijn als jullie komen, jij en Titia en Henk en Eef en de zee-baby. Als ik ooit door m'n houding het idee gegeven heb, dat ik meer voor jou voelde, dan voor een van de anderen, dan vraag ik je daar nu excuus voor. Beschouw me als een zomer-vriendinnetje, waar je vroolijke, genoegelijke dagen mee hebt gehad en Tom, je mag zeker komen, maar alleen als een echte vriend. Dag Tom, daag!"
Ze knikte hem zoo hartelijk toe en het witte handje wuifde hem na en hij zag opeens dat de uitdagende, de trotsche donna Conchita, die hem in zoo hooge mate had weten te bekoren, weg was en inplaats daarvan was er iets gekomen in haar wezen, dat misschien wel veel liever en veel zachter was, maar dat toch niet zoo goed meer bij haar paste, vond hij. Misschien.... als ze weer heelemaal gezond was.... zou de oude Chita weerkeeren. Eén voor één waren ze gekomen en allen hadden ze met verbazing gestaard naar de innerlijke verandering door het ziek zijn bij Chita teweeg gebracht,