114
Chita hem opeens. Het was de eerste keer, dat ze blijk gaf te beseffen hoe ziek ze was.
„Nog beter dan je was, meisje!" plaagde dokter. „Want je zult het voortaan wel uit je hart laten om onverstandige dingen te doen.”
„Ja, dat denk ik ook. Ik zal meer naar moeder's raad luisteren, hè, moedertje?”
Mevrouw Weldam knipperde heftiger dan ooit met de oogen, om haar ontroering te verbergen.
Wat waren het door alle angst heen, gouden dagen voor haar geweest.
Ze had zich gevoeld, als toen Corretje klein was en bij het aanleggen van het waterverband, was het telkens weer geweest, of ze haar baby van toen verzorgde.
Of had ze zich niet rijk gevoeld, als Chita, in benauwdheid, geroepen had om haar. Had het schorre: „Moeder!” haar niet de tranen in de oogen gebracht? Maar flink was ze gebleven. Niemand had den name-loozen angst gezien, die haar schier verteerde, in de dagen toen ze allen vreesden, dat het jonge, bloeiende leven afgesneden zou worden.
En welk wonder was er gebeurd met haar man, haar Cor?
Was het de angst om Chita, die hem zoo zacht, zoo zorgzaam had gemaakt? Niet één keer, in al die dagen, had ze hem hooren mopperen. En telkens als hij in de ziekenkamer kwam, had hij een lieve verrassing gebracht, voor haar of voor Chita.
Ze wist niet, dat beneden, goede geesten waren