Het was een waar feestmaal, de onvolprezen zuurballen, okkie’s, noga-blokken, al wat het magazijn van Hazelip herbergde was aanwezig.
Toen alles op was, haalde Ambro een fijn bonbon-zakje te voorschijn, waarin zeven rhum-boonen zaten.
„Deze godendrank heb ik tot het laatste bewaard, we zullen den drank opslurpen en met de chocolade-huls klinken op onze trouwe vriendschap.”
Plechtig reikte hij ieder een rhumboon over.
En even plechtig ging het zoete slokje naar binnen.
Toen gingen ze vlak bij elkaar staan en ze stootten aan met de eenigszins weeke overblijfselen van de boonen.
„Lang leve de bende van Kaan, lang leve Ambro, hiep höj F’
Toen was het feest geëindigd en gingen ze allen voldaan naar huis.
243