196
Hij stond op, bekeek den stekker, haalde z’n zakmes te voorschijn, peuterde de schroefjes los, herstelde de verbindingen, stak den stekker weer in het stopcontact en zei triomfantelijk:
„Hij doet ’t weer.”
„O, Japie, wat zul je een boel te doen hebben,” plaagde ze. „De radio doet ’t niet erg en de tuinsproeier is lek en m’n wekker loopt al weken lang niet af! Alles is op je blijven wachten.”
Jaap verslikte zich in z’n eigen rookwolken en hij kreeg een hoestbui.
„Ik ga thee schenken,” zei Mieke en ze wilde opstaan.
Maar Jaap hield haar tegen. „Blijf nog even zitten,” z’n stem klonk wat schor.
„Nu komt ’t,” dacht Mieke en ze had wel weg willen rennen.
„Mieke,” zei hij, en hij greep haar hand vast. „Wil jij ook op me blijven wachten?”
„Net als de radio en de tuinsproeier en de wekker,” trachtte Mieke te schertsen. Maar ze zag zijn ernstige, eerlijke oogen en toen was het haar niet mogelijk zich achter scherts te verschuilen.
„Ja, Jaap,” zei ze eenvoudig en toen hij haar naar zich toe trok en ze haar blonden bol op z’n schouder lei, toen wist ze, dat het zóó goed was en dat ’t het rustige geluk was waar ze naar verlangd had.