193
Het handje werd weer door Jenny’s arm gestoken.
Hij reed in een vaartje naar huis toe en liep hen toen weer tegemoet.
Dient je haakte nu ook bij dokter in en maakte er een spelletje van de beide armen van de twee „groote menschen” tegen elkaar aan te drukken, of ze te gebruiken als een schommel waar ze aan hangen kon.
Zoo zag Miel, die in den erker stond, hen aan komen.
„She, he and the baby!” lachte hij, zich uit het opengeslagen raam buigend. „Staat jullie niet kwaad, kinderen! Als ik over vijf jaar terug kom . . .”
Even ontmoetten de oogen van Jenny en Herman zich in hoopvol oplichten.
Mieke liep in haar kamer rond, waar de schemering al ingetreden was.
„Over een half uur zal Jaap er zijn,” dacht ze en ze knipte de schemerlampjes aan. Even keek ze in den spiegel.
„Wat heb ik me poes-mooi gemaakt! hoe kom ik er eigenlijk toe om die gebloemde jurk aan te doen? Jakkes, neen, ik trek ’m weer uit. Staat zoo visite-achtig.”
Ze ging naar haar slaapkamer, trok de japon vlug over het hoofd en stak zich in de gewone jurk, die ze iederen avond droeg.
Weer terug in haar kamer, begon ze opnieuw heen en weer te loopen, trok een schilderijtje dat scheef hing recht, verzette een vaasje met bloemen, bolde de kussens in de stoelen op.
„Zal ’t niet onwennig zijn als Jaap er is?” dacht ze en ze schoof den lagen stoel waarop hij altijd had gezeten, wat dichter bij het tafeltje.
„Waarom ben ik ook opgéhouden met werken? nu duurt de tijd zoo lang en loop ik maar doelloos rond. Stil, hoor ik z’n motor ploffen? ja, hij is ’t!”