166
„Over mevrouw van Manen. Jammer, dat ze geen kinderen heeft.”
„Ja, heel jammer. Ik geloof, dat ze het heel erg betreurt, maar ze is een tè gereserveerde vrouw om daar veel van te laten merken.”
„Fijn, hè Moeder? van die opdracht. Hoe kwam ze daar opeens toe?”
„Zij en haar man hadden het portret gezien, dat Vader van de oude Mevrouw Verlaan heeft gemaakt en daar waren ze zóó verrukt van, dat ze besloten Meneer’s moeder ook door je vader te laten vereeuwigen.”
„Best plan! en een kolfje naar ons schildertje’s hand, zoo’n mooie, nobele kop. Wat zal hij daar met pleizier aan werken! Zeg, moeder, Jaap komt Zaterdagavond.”
„Prettig.”
Mieke stond even in beraad of ze moeder zou vertellen hoe prettig zij ’t wel vond, maar ze kon den toon niet vinden.
„Daar spreek je niet over,” stelde ze bij zichzelf vast.
Toen sloeg ze plotseling de armen om moeder’s hals en knuffelde haar.
„Jullie bent een span ouders uit duizenden,” zei ze dan en ze liep de kamer uit.
Over het gelaat van haar moeder trok een tevreden lachje bij die woorden.
„Het kind voelt ’t als iets weldadigs aan, dat we haar met rust lieten en niet met vragen lastig vielen. Evert had gelijk, ze moest het met zichzelf uitvechten.
Maar ik ben blij, dat de jongen terug komt en ik hoop zoo, dat er dezen keer geen breuk zal komen en de band steeds steviger zal worden.”
„Wel moeder, zoo in gedachten verdiept?” vroeg haar man die de kamer in kwam om nog eens na te praten over de mooie opdracht.