141
Ze stonden nu bij het hek van Mieke’s huis en Hans dacht, dat ze er nog nooit zóó lief had uitgezien als nu, met die half verlegen blik in de oogen en het kruivende blonde haar, dat dartel onder haar petje vandaan sprong.
„Mieke, ik ben dol op je en ik wéét dat je van mij houdt. Toe, doe nu niet zoo onzinnig.”
Hij trok haar naar zich toe en wilde haar een kus geven, maar Mieke wrong zich los en als een jongen over het hek springend, riep ze hem in het weghollen toe:
„Ik zal er nog eens over nadenken, hoor! Daag!”
Hans liep terug in den stillen avond en hij dacht dat nog nooit een meisje hem zóó onverschillig behandeld had.
„Ik moest eigenlijk morgen maar meteen weg gaan,” wrokte hij.
„Mieke geeft er geen snars om of ik blijf en Al en Nin zijn in zóó’n adoratie voor hun spruit, dat ze mij wel kunnen missen. Het avondje, dat Nin voor me zou geven gaat nu ook niet door en wat is hier verder nog te beleven?”
En Mieke, die, na in de huiskamer haastig even verteld te hebben van klein Hansje, naar haar kamer was getogen, sloeg haar muziekboekje open en trachtte het werk voor den volgenden dag nog af te krijgen. Maar ook nu lukte het haar niet de wat moeilijke opgave tot een goed einde te brengen.
„Wat is er toch met me den laatsten tijd,” peinsde ze. „Vroeger kon ik werken zonder dat het me de minste moeite kostte, ging mijn leventje zoo rustig voort en was ik tevreden met alles. Er was alleen het verlangen om ééns een groote zangeres te worden. Nu bestaat er een mogelijkheid, dat die groote wensch nog eens vervuld zal worden. Ben ik er gelukkiger door? Ik geloof, dat ’t me niet eens zooveel meer kan schelen. Als mijn stem wat meer geschoold is, dan zal ik het heerlijk vinden om met Kerst in de Kerk te mogen zingen, of misschien een kinderkoor te vormen van allemaal kinderen uit het dorp. Maar op een podium te staan