ze de anderen uitgelaten had en meteen door wilde gaan naar haar kamer, had mevrouw haar terug geroepen en gezegd, dat Corrie haar nog iets wilde zeggen.
„Daar ben ik,” zei Riek. „Maar ik smeer ’m subiet, want ik ben zo moe als ... drie Floren!”
„Zeg ’t maar, kind,” moedigde mevrouw haar dochter aan.
„Riek,” Corrie’s stem haperde een beetje. „Ik wou je zo graag iets geven als herinnering aan de mooiste dag, die ik nog ooit heb gehad. Moeder heeft het bedacht en ik ben er zó blij mee. Kijk, Riek, dit armbandje is van mijn overleden zuster geweest en dat geven we jou, want jij ... jij bent net als een zuster voor me.”
Riek liet zich het gouden schakelarmband je om de pols doen, ze was helemaal beduusd.
„Vin-je het leuk, Riek?” vroeg Corrie?
„Ik vind het... ik ... het is gewoon daverend! Ik weet niet wat ik zeggen moet! Het is veel te erg.”
„Nou, draag het dan met pleizier en ga nu maar gauw weg, want je bent een bleekneus,” lachte mevrouw en ze schoof Riek de deur uit.
„Moeder?”
„Ja, kind?”
„Ik ben zó gelukkig.”
Ze zaten stil naast elkaar, de moeder en de dochter en in beider harten was het licht en rustig.
Twee handen die elkaar drukten, twee ogen die elkaar zochten, één dankgebed voor zoveel goeds.
180