naar Corrie gaat. Jammer, dat Anne-Marie niet thuis is, anders kon die even meegenieten van „liefs in wieg”. Die heeft haar nog nooit gezien, want Zus komt altijd op uren, dat zij niet thuis is. Ik vind Anne-Marie net een mens om dol op die kleine dodden te zijn. Zouden er mensen bestaan, die niet van kinderen houden? Ik kan het me gewoon niet voorstellen. Kinderen zijn net zo mooi als muziek en de zon en een mooi boek en ...”
„Slaapt ze?” Tante Do stak haar hoofd om de deur. „Als een marmot,” fluisterde Riek terug.
„We hoeven eigenlijk niet zo te fluisteren,” lachte tante Do. „Zus heeft haar gewend door alle lawaai heen te slapen. Soms laat Gé op zijn „gewone” manier de radio loeien en is Zus aan het stofzuigen en Riekje slaapt keurig door alles heen. Ja, dat zijn de voordelen van een moderne opvoeding. Trouwens, jullie Moeder is niet modern, maar die wende jullie er ook wel aan. Neen, jullie zijn niet pietluttig opgevoed.”
„Geen wonder!” plaagde Riek. „Met twee zulke fiere vrouwen aan het hoofd van de huisholling! Zeg, tante Do, ze zuigt! Mag dat?”
„Zus zal het zelf wel zien, kind, niet mee bemoeien. Nou, ik ga weer aan m’n werk. Amuseer je, tante Riek, en kijk er al het moois niet van af.”
Toen Zus terug kwam om haar baby te halen, zat Riek nog in dezelfde houding bij het wiegje en ze had niet eens geweten, dat er anderhalf uur verstreken was sinds Zus weg was gegaan.
„Is ze zoet geweest?” vroeg de jonge Moeder.
„Veel te zoet! Ik had veel liever wat met haar gespeeld. Maar ik heb toch van haar genoten en Zus ... je mag wat mij betreft veel vaker uitgaan. Ik vind het een genot om stil bij haar te zitten en naar haar te kijken.”
„Dus je bent van plan een uithuizige Moeder van me te maken? Zal niet gaan, Riekert! Alleen als het hoog noodzakelijk is, ga ik weg van mijn kleine lieveling. Kom
120