schattebol, honneponnediertje! Kom maar bij je tante! Zus, mag ik haar even hebben?”
„Ik kom je juist vragen of je een poosje op haar wilt passen. Moeder en ik moeten een paar boodschappen en tante Do heeft het veel te druk om op Riekje te kunnen passen. Kan het met je werk, Riek?”
„Of het kan?” Riek keek bepaald verontwaardigd. „Al moest ik er vannacht voor opblijven! Maar geen boffertje, om haar een poosje helemaal voor mezelf te hebben!” Het kamerwiegje, dat altijd in den huize van Dongen
klaar stond, werd neergezet in Riek’s kamer en de kleine mol werd er in gelegd.
„Ze zal wel meteen gaan slapen,” zei Zus. „Je kunt gerust aan je huiswerk gaan, je zult geen last van haar hebben.”
„Last noemen ze dat!” spotte Riek, terwijl ze zich over het wiegje boog en het kleine ding nog eens extra warmpjes instopte.
„Nou, jullie redden het wel samen,” lachte Zus. „En als je ergens mee in de knoei zit, roep je tante Do maar.”
„Moet je net geloven,” dacht Riek, toen Zus naar beneden ging. „Wat er aan haar te doen is, kan ik zelf wel af.”
118