TIENDE HOOFDSTUK.
Verstraeten was dien avond bij mijnheer Demming over alles komen praten en wonder boven wonder, had hij zonder de minste moeite hem kunnen krijgen waar hij hem hebben wilde.
Mevrouw Demming had ook overal vrede mee en was, in de stellige overtuiging, dat ’t hier alleen Mies’ welzijn gold, direct bereid haar plaats als verzorgster van den patiënt af te staan.
Maar uit Mies kon Verstraeten niet wijs worden. Die was sinds den dag, dat hij haar het voorstel had gedaan, in haar houding tegenover hem totaal veranderd.
Het onbevangene, dat hem juist zoo weldadig had aangedaan, was geheel verdwenen en inplaats daarvan was een zekere schichtigheid gekomen, een zijn blik ontwijken, waarvan hij niets begreep.
’t Gebeurde vaak, dat hij, boven komende om zijn avondbezoek bij haar vader te brengen, haar opgewekte stem, haar klaterend lachje hoorde, om dan zoodra hij binnenkwam die vroolijkheid plaats te zien maken voor een ernst en teruggetrokkenheid, die niet paste bij Mies en slechts bevreemdheid wekte, zoowel bij Verstraeten, als bij haar vader.
Meestal gebeurde het dan, dat Mies met een „Nu, ik laat de heeren maar alleen” of „drie is te druk voor vader”, naar beneden ging.
Verstraeten brak zich het hoofd erover, wat toch wel de oorzaak van Mies’ vreemde houding tegenover hem hon zijn, maar hoe hij ook dacht, tot een verklaring kon hij niet komen.
Op den morgen, na het gesprek tusschen Verstraeten en mijnheer Demming was Mies met looden schoenen naar kantoor vertrokken om