86 MIES DEMMING.
En kwam het ook daardoor, dat ze zijn bizon-dere attenties voor haar, zijn steeds weer komen, meer dan noodig was in zijn kwaliteit van Chef tegenover een zijner employés, al was dat dan ook een van de eerste, had aangenomen als iets, dat volkomen natuurlijk en gegrond was?
Waarom had Dolly haar nu gerukt uit dit rustige weten? Ze was zoo onbevangen en gelukkig geweest, al die weken. Zoo fijn had ze ’t gevonden, toen Verstraeten eenige weken tevoren bij vergissing Mies tegen haar had gezegd en haar toen op hun aller verzoek zoo was blijven noemen.
Zou nu, bij alles wat ze deed of zei, iets komen van: als hij er maar niets van denkt, en doe ik dat omdat ik van hem houd?
O, Dolly, Dolly, waarom heb je mijn oogen geopend!
„Zeg, sufferd, loop je te slapen?” klonk achter haar Frans’ jolige stem. „Ik loop al ik weetniet hoe lang achter je te fluiten en jij kijkt niet op of om.”
„Ik heb niets gehoord,” zei Mies afwezig.
„Neen, dat heb ik in de gaten! Wat ben je laat, zeg! Heb je zoo lang met Dolly zitten kakelen? Moeder heeft al wel tien keer gezegd: „waar b 1 ij f t die Mies nu weer.”
„Ga maar gauw mee naar binnen,” zei Mies, toen ze voor de huisdeur stonden.
„Ik heb een nieuwtje te vertellen.”
En toen ze binnen waren vertelde ze moeder het voorstel van Verstraeten en hoe hij er dien avond met vader en haar over praten zou.
„Staat ’t je niet erg aan, Mies?” vroeg haar moeder. „Je lijkt me zoo weinig enthousiast.”
„Och, ik weet het niet, ik heb ’t allemaal nog niet kunnen verwerken, ’t is zooveel opeens en ik weet niet, of ik er de geschiktheid wel voor heb.”