68 MIES DEMMING.
„O, dat zal ik bij hem ook wel zijn, maar mijn ongerustheid is niet weg, dokter.”
„Dat spijt me héél erg, mevrouw Demming. Ik heli de waarheid gezegd en u kunt er op vertrouwen, dat er geen reden tot ongerustheid is.” Maar al sprak de dokter ook nog zoo overtuigend, mevrouw geloofde hem niet en toen ’s avonds Verstraeten kwam, vond hij de moeder en de beide kinderen in gedrukte stemming.
„Zoo,” zei hij opgewekt. „Nu blijf ik hier eerst wat babbelen en dan ga ik, als hij tenminste niet slaapt, onzen patiënt even bezoeken. U hoeft me niet te vertellen wat dokter zei, in m’n ongeduld om te weten hoe hij over den toestand dacht, heb ik hem opgebeld en kreeg ik tot mijn groote blijdschap een zeer geruststellend bulletin.”
„Zegt u dit nu om me mijn angst weg te nemen?” vroeg mevrouw.
„Neen, mevrouw Demming,” zei Verstraeten en keek haar zóó vast in de oogen, dat ze hem wel gelooven moest. „Ik geef u de verzekering, dat ik u niet tracht gerust te stellen, maar u de volle waarheid zeg. Uw man is overwerkt en volkomen rust zal hem geheel beter maken. Ik voel me heusch schuldig, dat we hem zoo hard lieten werken, zonder op te merken, dat hij te weinig rust nam.”
„Och, hij wilde het zelf zoo,” zei mevrouw. „Vacantie nemen was hem een gruwel.”
„En ons,” ontsnapte Mies ondoordacht.
„Mies!” waarschuwde haar moeder.
„Nou ja, Moes, ’t is niet aardig gezegd, nu, maar u weet toch zelf hoe extra mopperig vader was als hij eens vacantie nam.”
„Erg begrijpelijk,” vergoelijkte Verstraeten. „Dan voelde hij pas, hoe moe hij wel was en dat maakte hem korzelig.”
„Arme vader,” zei Mies zacht. „We hebben