46 MIES DEMMING.
zijn zuren vriend zooveel ongerechtigheden plaats vonden en die in hoofdzaak bedreven werden door zijn bloedeigen dochter. Och, arm, z’n haren zouden ten berge rijzen!”
„En vertel me nu eens, juffrouw Demming, die pennevruchten, die u met Uw collega wisselt, mogen die niet door andere oogen gezien worden?”
„O, de zijne wel, d i e zijn héél goed en er zijn al verschillende van hem geplaatst. Mag hij er ook eens wat naar Uw blad sturen?”
„Tsjonge, jonge, wat behartigt u zijn belangen,” plaagde hij. „Dat geeft te denken.”
Mies’ oogen schoten vuur.
„Hij is verloofd met een allerliefst meisje,” zei ze wat kort.
„Ai mij!” lachte hij. „Nu ben ik zeker in ongenade.”
„Och,” spotte Mies. „U is nu eenmaal m’n ex-principaal!”
„Maar, juffrouw Demming, ik bedoelde eigenlijk niet z ij n werk, maar het uwe. Waarom stuurt u nooit iets in, als u toch, zooals u zegt, schrijft.”
„O, hemel, ik zou niet durven,” zei Mies verschrikt. „’t Is heusch nog echt prullaria-werk, wat ik bij mekaar schrijf.”
„Hoe denkt uw collega over uw werk?”
„O, die trekt iederen dag tegen me te velde, dat ik ’t niet naar de een of anderen redactie stuur en als ie ’t maar te pakken kon krijgen, had ie ’t al lang gedaan.”
„Hoor eens, juffrouw Demming, u moet nu niet zoo overdreven bescheiden zijn. Ik ben er bijna zeker van, dat u goed schrijft en ik zou heel graag iets van u lezen. U kunt er op aan, dat ik u eerlijk m’n oordeel zal zeggen en als ’t werk goed is, dan kan ik geregeld van u plaatsen.” „Als u dan maar alsjeblieft niets aan vader