168 MIES DEMMING.
nou niet zoo waniiopig op te snijden, toe nou.” En Liesje, lachend, liet zich meevoeren. „Reclame moet er zijn,” orakelde ze. „Ik ben er zeker van, dat die dames je boek zullen koopen.”
„Kind,” zei Mies uitgelaten. „Ik fuif je op al wat je maar lust. Ik ben gewoon dol, nu ik mijn boek heb zien staan.”
„En wat een fijn plaatsje heeft ’t hè? Dat komt, omdat Frits je kind in zoo’n fijn jurkie heeft gestoken. De vrouw van dien boekhandelaar heeft heel veel zin voor ’t artistieke en dat krijgt bij haar altijd een goed plaatsje. Zeg, we gaan even kijken, of ’t op het Rokin ook al staat.” En de meisjes stapten in een vaartje naar ’t Rokin en drukten haar neusjes plat tegen de winkelruiten.
„Ja, ja, ik zie ’t!” riep Liesje. „Kijk, daar in de hoogte, tusschen een detective-roman en een verzenbundel, kijk daar!”
Mies zocht en ja, daar zag ze het staan.
„Niet zoo’n mooi plaatsje als in de Kalver-straat,” zei ze.
„Neen, maar ze kunnen je ook niet allemaal zoo te kijk zetten, ondankbaar kind. Wij zijn niet de eenige, die dit seizoen met een nieuw boek uitkomen. Nog even loeren bij dien anderen boekhandel.”
Daar had het boek weer een zeer mooie plaats en knikten de meisjes elkaar tevreden toe.
„Weet je wat aardig is” zei Lies je, „Frits heeft heelemaal geen moeite gehad om je boek er bij de boekhandelaren in te „stampen”, dat noemen ze zoo, zie je. En dat is heel bizonder, want een eerste boek van ’n schrijfster wordt meestal met het noodige wantrouwen gekocht.
Pas als je eerste boek succes heeft gehad en vooral een goede pers, dan gaat je tweede er als koek in.”