Mies Demming

Titel
Mies Demming

Jaar
1925

Druk
1925

Overig
1ed 1925

Pagina's
210



VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Mijnheer Demming, bijna geheel hersteld, lag in een langen rieten stoel in den tuin te genieten van het warme zonnetje, den overvloed van papavers, akeleien en margrieten, door Mies in het voorjaar gezaaid en nu in volle pracht opgekomen. Van de deftige Orpington Buff’s, die achter het kippengaas van de flinke ren zoo vol waardigheid heen en weer stapten, van den grooten Duitschen herder, die achter het kleine poesje joeg, van al het jonge, blije, zich hernieuwende, wat toen hij nog zoo moe en over-prikkeld was zijn wrevel opwekte en hem nu, bij het weerkeeren van zijn krachten hoopvol en blij stemde.

„Vader, je melk,” zei Mies, terwijl ze met het groote glas melk naar hem toe wandelde.

„Zet maar neer, kind, en kom wat bij me zitten, ’t is hier zoo heerlijk.”

„Ik heb eigenlijk geen tijd, ik ben aan de correctie van de Damesrubriek bezig.”

„Dat doe ik straks wel voor je, als ik weer binnen lig. Toe, kind, kom nu toch profiteeren van het zonnetje, je hebt het heusch wel noodig, je ziet er in de laatste dagen zoo pipsneuzig uit. Wat scheelt er toch aan? Ik geloof, dat je den laatsten tijd te veel in huis hebt gezeten. Moeder vindt ook, dat je zoo bleek en stil bent. Is er iets, dat je hindert, kind?”

Mies, in een poging om opgewekt te zijn, lachte:

„Zit je weer te piekeren, gekke man? Ik ben zoo best als wat, alleen maar een beetje suf in m’n bol.”

„Je werkt te hard en alles gaat maar, haast

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.