194
rand, waar ze als een troep drukke, jonge spreeuwen op een dakgoot, bijeen zaten.
Opoe troonde in d'r eentje in den wagen, liet zich stoven in het al koesterende lente-zonnetje.
Janus ploeterde in het zweet zijns aanschijns.
De mannen van het gezelschap stonden om hem heen, gaven opmerkingen en raad ten beste, die door Janus ijskoud aangehoord, maar niet opgevolgd werden.
Toen er een half uur voorbij was gegaan met zoeken, zei één van de vrouwen, terwijl ze ter ver-poozing „suretjes en sausies" presenteerde, spottend;
,,Toch effetief faan soo'n eerste klas auto!"
„Me kenne wel weer t'ruggaan," hoonde haar buurvrouw.
„Gaan je nog eres mee?" informeerde een derde.
,,Moe-dèrr gane me nou?" drensde een joggie.
„Aans," antwoordde z'n moeder kort.
,,En blaaf met je vuile hande va'-je schoone pakkie!"
„Opoe! 'n suretje?"
Maar Opoe had geen trek en ze nestelde zich behagelijker nog in haar hoekje.
„Goed voor me rimmetiek!" zei ze, wijzend naar de zon.
„Opoe in 't sonnebad!" gierde een van de vrouwen.
Een van de joggie's hief het schoone lied aan: „houd er de moed maar in", wat direct door de rest van het gezelschap met luider stem meegegalmd werd.