De onuitgesproken woorden hebben dan een even groote beteekenis als de gesprokene.
De ware vriendschap veredelt. Je wordt er beter door.
Immers, hoe gemakkelijk valt het niet, je op te offeren voor een goede vriendin.
Ze is ziek. Je hebt juist een vrijen middag en dacht die gezellig te besteden, met tennissen of korfballen.
Je denkt er niet verder over na, in een impuls ga je naar haar toe, gewapend met een gezellig boek en een paar bloemetjes, o, een paar maar, want natuurlijk was je weer aan het restje van je maandgeld.
Je zoudt het voor geen ander gedaan hebben, want je bent heusch niet zoo opofferingsgezind.
Ben je met je ouders op een vacantiereisje, direct voel je de behoefte je goede vriendin op de hoogte te houden van al wat je beleeft.
En van ieder plaatsje, dat je aandoet breng je een kleine herinnering voor haar mee. O, geen, die veel geld kost, dat is niet noodig! 't Is soms maar een gedroogde bloem, of een kiekje dat je maakte van een bizonder mooi plekje.
Dit alles doe je zoo gaarne en zoo van zelf, omdat het is voordè vriendin, die je pleziertjes en je verdrietelijkheidjes kent.
En juist al deze kleine attenties en opofferingen maken je beter, Zorgen er voor, dat je in je verdere leven leert iets voor anderen over te hebben.
Pas als je ouder bent, leer je het gezegde „het is zaliger te geven dan te ontvangen” goed begrijpen.
Geven, van je zelf geven, aan allen die om je heen zijn, dat maakt het leven pas waard*
Ik zei het je reeds, er gaat géén dag voorbij, meisje, waarop er niet iets van je gevraagd wordt. Sta klaar om te helpen, verschuil je niet, denk niet: laat nu maar een ander helpen, ik deed genoeg.
134