174
Juist kwam de Greef de kamer binnen. Zijn gezicht stond op best weer, vonden de meisjes.
„Ik moet nu weg, meneer de Greef,” zei een beetje schutterig Stans.
„Ik hoop, dat u me mijn weggaan van de zaak niet kwalijk neemt.”
„Welneen, juffrouw Everhart, maakt u zich daar geen zorg over, ik ben veel te blij, dat u zich weer helemaal fit voelt en een werkkring zult krijgen, die heel wat beter voor u is, dan het werken op het geitenweitje. Stelt u nog prijs op een getuigschrift?”
Stans zei, dat het meer was, dan ze had durven hopen, nu ze zo plotseling weg ging.
De Greef, kauwend op z’n wang, iets dat hij altijd deed als hij ergens over nadacht, tikte een getuigschrift, dat Stans’ hart in vervoering bracht.
„Als ik weer eens hier ben, mag ik dan nog eens komen oplopen?” vroeg ze nederig.
„Natuurlijk, juffrouw Everhart, u zult met open armen ontvangen worden,” lachte de Greef aanminnig.
Het gaf nog een genoegelijk na-babbeltje toen Stans vertrokken was, want allen waren ze blij, dat het met Stans boven verwachting goed was afgeloopen.
„Als die dingen maar direct goed aangepakt worden, dan is er de meeste kans op genezing,” stelde de Greef vast. „Intussen mag ze blij zijn, dat ze bij zo’n verstandige verpleegster onder dak is gekomen. Ik maak me sterk, dat haar ouders het salaris betalen, dat de zuster haar heeft toegezegd, omdat ze wel drommels goed inzien, dat het meisje beter onder vreemden kan zijn, dan thuis en het haar zelfvertrouwen zal geven, dat ze in staat is daar werkzaam te
zijn.
Hij sloeg de spijker op de kop, want het was zoals hij dacht. De ouders, hierin gesterkt door den dokter, hadden inderdaad een overeenkomst met de zuster gesloten, waarbij het voor Stans zou lijken, alsof de Zuster haar aangenomen had als hulp in haar pension. Stans thuis, met al wat haar weer zou kunnen hinderen, of op kantoor, waar de oude jalousie ook weer boven zou kunnen komen, dat durf