142
Het is wel prettig, dat hij er nu wat meer vrede mee heeft en de boel op z’n plaats laat staan. Maar, je laat me weer alleen aan het woord en zegt me niet wat je drukt.”
Toen vertelde Ans het verhaal van haar grote sympathie voor Sjoerd en de teleurstelling die ze had ondervonden.
Lotte luisterde vol aandacht, de warme, bruine ogen in peinzing.
„Ik weet niet of ik te hard voor hem ben, maar telkens als ik hem zie is er wrevel in mijn hart en het lijkt of er van het mooie, waarachtige gevoel van vroeger bijna niets meer over is. Dit laatste heeft de beker doen overlopen. Hij moet toch heel goed weten, dat we het erg krap hebben en dat hij mij dan nog zo achteloos geld te leen vraagt, heus, Lottekind, dat heeft me meer gehinderd, dan ik je zeggen kan. Hoe denk jij over dit alles? Vind je me erg kleinzielig?”
„Ik ben erg blij, Ans, dat je mij juist om raad vroeg. Ik heb een episode in mijn leven gehad, die erg veel overeen komt met die van jou, al is het toch enigszins anders. En juist omdat ik er zo onder geleden heb en veel te goed van vertrouwen ben geweest, kan ik je van ganser harte zeggen: tracht Sjoerd uit je gedachten te verbannen. Hij is een zwakkeling en jij bent nog veel te jong om je mooie jeugdjaren hierdoor te laten bederven. Je zult zeggen, dat ik spreek als een oude dame met ondervinding! Maar ik was nog pas zeventien toen ik Edu Bresser leerde kennen en drie jaar van twijfel en narigheid thuis hebben gemaakt, dat ik ernstiger over al die dingen denk dan een meisje van twee en twintig in de regel doet.”
„Vertel me ervan, dan kan ik het toetsen aan mijn geval en dat zal me goed doen,” zei Ans zacht.
Ze schikten dichter bij elkaar, de beide meisjes, en hun gezichten in het schijnsel van het gedempte licht, stonden ernstig.
„Ik leerde Edu Bresser kennen op Vader’s atelier,” vertelde Lotte. „Een talentvolle, jonge schilder, vlot, knap om te zien en mijn zeventienjarig hart was meteen reddeloos verloren, dat kun je denken! Ik poseerde voor Vader, die