zongen ze altijd een 'breiliedje'-van de juffrouw geleerd en dat begon, heel aanmoedigend, met:
'Lustig meisje, rep de pennen, Sla maar om en kruip maar door-'
maar dat eindigde met de vermanende regelen
"Wie geen goede kous kan breien, Wordt nooit een knappe burgervrouw.'
Leentje wist maar al te wel, dat ze op geen stukken na nog een 'goede kous kon breien' en de blijkbaar onvermijdelijke consequentie niet veel minder dan verpletterend.
Ja, op haar vorige schooltje, bij Pietje-met-de-bochel, daar hadden ze pas pret gehad. Daar zaten ze beneden in een kamer aan de straat, maar achter een scherm voor de tocht en ze kregen er alle dagen thee met een koekje-Moeder begreep nooit hoe Pietje op die manier uitkwam met de drie stuivers breigeld-en ze werd er nooit, tenminste niet al te erg geplaagd, daar ze haar nogal voornaam vonden, om de antiekzaak van haar vader. Moeder zelf vond ook Pietje's school eigenlijk niet goed genoeg, maar er viel niets aan te doen, op de handwerkles in de dagschool scheen ze niets te kunnen leren en moeder had voor brei-onderricht geen tijd.
Behalve breien moest Leentje dan toch bovendien ook naaien leren! En Pietje was in dat alles knap genoeg, maar ze was te goedig en de kinderen haar de baas. Door haar goedigheid altijd trouwens achteruitgesukkeld in de wereld, alle mensen maakten misbruik van haar. Ze kon borduren en filigrainwerk, ook maakte ze papieren bloemen, zo mooi, dat iedereen er versteld van stond. Werd er bij een der meisjes thuis iemand jarig, dan hield ze zon kind dagen lang afzonderlijk na school of ze bestelde ze op zondag bij zich-dan kregen ze ook koffie met beschuitjes-en tegen Sinterklaas had ze haar hele huis vol. Die keurig haken konden, mochten mandjes maken, roze met groen, of blauw met paars, waar een glas-metzand precies in sloot, en daarin kwamen dan prachtige papieren ro-
88