nachten, als ze veilig in bed, het woeden der stormen hoorde, en de eerste dag van de nieuwe kermis had ze geen rust in school, geen aandacht, om vier uur, voor de verse verlokkingen der pas-geopende kramen, maar ze sloop de woonwagens langs, in de hoop die vrouw nog eens terug te zien, het gebeurde nimmer...
Dan was er een oud echtpaar, en die kwamen wel jaarlijks terug, de man speelde harmonika, de vrouw sloeg hupse metaalklankjes uit een onnozel triangeltje, de man uitheems met zware baard, nog zwart in grijs, slappe hoed, bruin gezicht, maar de vrouw, een groot breed mens, had best een werkster of een koopvrouw kunnen zijn: zwarte rok, brandhelder schort, geblokt door de strijkvouwen, leren pantoffels, wel heel gewoon dus, maar met zo een vriendelijk oud gezicht en zo zorgzaam en knap. Eens toen de kleine Lea in de kermistijd met haar vader naar de grote stad was gevaren, had ze op de boot die vrouw aangetroffen, op een der smalle zijbanken zat ze, de kleine triangel lag tussen de moede handen in haar schoot,-en op het stoffige pad langs het water ging de man met zijn har-monika-blijkbaar hadden ze dus geen reisgeld voor beiden verdiend-en liep de lange weg naar de grote stad terug, ze wuifden tegen elkaar, trouwhartig en minnend, waar het mulle voetpad zich afboog van het water, - onwillekeurig, schier onbewust had de kleine Lea het gebogen figuurtje nageblikt, tot hij achter bomen verdween en toen ineens bemerkt dat de tranen over haar wangen liepen.
De spullen en beesten op de kermis kende de kleine Lea alleen van buiten,-voor de komedietent las ze werktuiglijk de aankondigingen van wat er in de avond gespeeld zou worden, doch stelde zich er niets bepaalds of bijzonders bij voor.
Maar rondom de hele kermis, kramen en tenten en spullen en mensen en woonwagens omvattend, stond in Lea's verbeelding als een muur een achtergrond van uitheemse dingen: alles wat ze dacht en droomde bij de gekleurde prentjes op de azen van het oude kaartspel, dat thuis in een laatje lag, en waaronder allerlei vreemde namen stonden: Spa en Homburg en Wiesbaden,-grote hotels met talloze ramen, van zonneschermen overhuifd, tuinen rondom, waar fonteinen sprenkelden over bloembedden en palmen, alles heel
150